Goedenavond Dames en Heren,
De Wassermanlezing: Een regisseur of acteur wordt gevraagd een
persoonlijk portret te schetsen van zijn inspiratiebron. Denken
over deze opdracht is stroomopwaarts roeien op de rivier der
herinnering, voortdurend turend naar beide oevers in de hoop daar
mensen te ontwaren, de cruciale gebeurtenissen uit je verleden weer
in het centrum van je bewustzijn rukken. Maar wie of wat zoek je
wanneer je beroepsmatig leven je tot nu toe voorkomt als een stuk
drijfhout dat stroomafwaarts wordt meegevoerd op een rivier van
toevalligheden?
Drijfhout, dat in elke kromming in de rivier op eerder gestrand
drijfhout stoot om vervolgens verder te drijven tot de volgende
bocht. Er zijn bij mijn weten veel mensen en vele gebeurtenissen
van invloed geweest op mijn denken en werk en waarschijnlijk meer
mensen van grotere invloed geweest dan ik weet. Het zijn per slot
van rekening je tegenpolen tegenover wie je je het sterkst
profileert, het zijn de tegenslagen die je vormen. Wanneer ik dus
iemand of iets favoriseer doe ik mijn artistieke tegenstanders en
mijn favoriete tegenslagen tekort. Is er wel een enkele bron? En is
dat een mens, een object of een voorval? Ontspringt die bron wel
binnen mijn beroepsmatig leven? Is hij niet veeleer gevormd door
diverse stromen en stroompjes die op hun beurt hun oorsprong vinden
in de tijd lang daarvoor?
Ik ben vanzelfsprekend katholiek opgevoed en ben dan ook, tot ik
de jaren des verstands bereikte - dat moet zo rond mijn veertiende
zijn geweest - vol verwachting naar de kerk gegaan. Dat God bestond
leed voor mij geen twijfel. Tot het historische moment, waarop ik
bij het nauwkeurig bestuderen van de lingerieaanbiedingen in de
Wehkampcatalogus naast het schaars geklede model dat haar zondige
pikanterieën poserend op een bed aanbood, een boek op het
nachtkastje zag liggen. En nieuwsgierig naar wat zo'n vrijpostig
meisje zoal las, kon ik met de loep van mijn postzegelverzameling
een zin ontcijferen, die mijn metafysische zekerheid in een klap
aan gruzelementen sloeg. 'God is dood', stond op de flap. Ik heb
maanden met die zin in mijn hoofd gelopen, vervolgens uitgeprobeerd
op mijn vriendjes en uiteindelijk met krijt op de plavuizen van het
kerkplein geschreven. Ik ben naar huis gerend, onder mijn bed
gekropen, in angstige afwachting van de bliksem die me ongetwijfeld
zou treffen. Die bleef uit en zo verloor ik mijn onschuld.
En niet alleen dat. Ik was meer kwijt dan ik mij op dat moment
realiseerde. Het ritueel van de Heilige Mis had ik tot die tijd
altijd als iets magnifieks, iets magisch, ondergaan. Een
gemeenschap van mensen van alle leeftijden, rangen en standen
herinneren zich eensgezind dat een man zich meer dan duizend jaar
geleden voor ons heeft geofferd. Enkel en alleen om ons te redden.
En dat niet alleen. Onder meerstemmige samenzang en voorgegaan door
een meneer in een prachtig goudbestikt gewaad daalde deze held weer
in levende lijve in onze kerk naar beneden. Prachtig uitgelicht in
een wolk van wierook. Niemand zag hem, want het was tenslotte
verbeelding. Maar niet voor mij. Ik had hem gezien! Absoluut. Want
ik had een sterk geloof. De figuur Jezus Christus fascineerde mij
mateloos. Stel je voor, je hebt een hele zooi volgelingen, je kunt
zo de politieke macht grijpen als je dat wilt. Maar je doet dat
niet, je legt dat je volgelingen niet uit, maar mompelt iets over
'mijn rijk is niet van deze wereld' om je vervolgens willens
en wetens te laten geselen en aan een kruis te laten spijkeren. Dan
moet je toch wel erg in dat rijk, in die andere wereld geloven.
Maar waar ligt die dan en hoe ziet dat rijk er dan uit en hoe kom
je daar? Grote vragen die mij als puber bezighielden. Maar toen God
stierf, stierf ook de behoefte aan een antwoord en werd Jezus
bijgezet bij die andere masochistische idioten van de
geschiedenis.
In de streek waar ik vandaan kom, Midden-Limburg, wordt in het
algemeen veel toneel gespeeld en er komen dan ook opvallend veel
beroepstoneelspelers vandaan. De provincie Limburg grenst aan
Duitsland, maar de streek strekt zich uit tot in het Rijnland, waar
elk dorp zijn toneelvereniging of passiespel heeft. Ook daar komen
veel Duitse toneelspelers vandaan. Uiteraard vindt dat fenomeen
zijn oorsprong in de katholieke volkscultuur, de rederijkerij, het
patronaatstoneel, het carnaval. Daarin is Midden-Limburg niet
uniek. Waar het wel in verschilt van andere streken is de
taalgevoeligheid. Het dialect in het land tussen Maas en Rijn vindt
zijn oorsprong in het Rijnlands en het Nederduits en kent dezelfde
rijkdom en poëzie. Woorden met meerdere betekenissen, zinnen met
dubbele lagen, hyperbolen, metaforen en symbolen. De overdrijving
als stijlfiguur. Als kind hield je je tegenover leeftijdsgenoten
staande met het verhaal dat je vertelde en de manier waarop je het
vertelde. Je hoorde de volwassenen elkaar aftroeven met
uitdrukkingen, wisecracks en pointes. Ook het zwijgen speelde
daarin een grote rol. Ook het zwijgen is hoorbaar en zwanger van
betekenis. Het is de stilte voor de storm, voor de klap van de
volgende briljante formulering, de fantastische pointe. Daar ergens
moet de oorsprong van mijn fascinatie voor de taalmuziek
liggen.
Merkwaardig genoeg ben ik als kind nooit een groot
carnavalsvierder geweest. Terwijl het toch volksfeest nummer een
was en alle andere kinderen zich in vermomming te buiten gingen aan
wat door het jaar heen niet was toegestaan. Ik daarentegen trok ik
mij in mijzelf terug en werd toeschouwer. Het fascineerde me
buitengemeen om tijdens het carnaval naar mensen te kijken, naar de
verandering die zich in hen voltrok. Onder invloed van alcohol
uiteraard, maar ook bij diegene die geen alcohol dronken, kwam iets
los dat ze gewoonlijk verborgen hielden. En in tegenstelling tot
velen die deze transformatie kleinburgerlijk vonden en verachtten,
begreep ik intuïtief al vroeg wat er met hen gebeurde. De laatste
drie dagen voor de Vastentijd, waarin de opgelegde rol die men moet
vervullen binnen de strenge gegeven kaders, even kan worden
losgelaten en de onzin, het zinloze, dat wil zeggen het absurde en
relatieve van dit ondermaanse, mag worden toegelaten. Tot
Aswoensdag wanneer men afscheid neemt van het vlees, carne vale, en
zich in de kerk het Assekruisje op het voorhoofd laat zetten ter
herinnering aan onze sterfelijkheid. Omdat het bij mij echter
altijd carnaval was, stierf ik die drie dagen en met het
Assekruisje op mijn voorhoofd kwam ik weer tot leven.
Mijn vader. Ik had deze hele lezing ook aan hem kunnen wijden.
We leken op elkaar en dat kon behoorlijk botsen. Hij was in de wieg
gelegd om dat te doen wat ik nu doe, maar helaas nooit heeft kunnen
doen. Toen ik na mijn middelbare school geen idee had wat ik aan
moest met mijn leven, heeft hij me tegen mijn zin opgegeven voor de
Toneelacademie in Maastricht. Later, veel later toen hij mijn
eerste voorstellingen zag en vond dat je met die modernistische
flauwekul geen publiek bereikte, is hij zelf weer toneelstukken
gaan schrijven. Ik kon hem niet beter danken dan ze voor hem te
regisseren. Een merkwaardige sensatie. Ik heb mijn vader pas leren
kennen door zijn stukken. Wat in de werkelijkheid werd verzwegen,
werd in de verbeelding uitgesproken.
Uit mijn adolescentie herinner ik mij twee boeken. 'Onder het
Melkwoud' van Dylan Thomas in de vertaling van Hugo Claus. Ik heb
het wel honderd maal gelezen, uitgevlooid en doorgespit en ontdekte
telkens nieuwe vergezichten in dit bacchanaal van taalmuziek. Het
andere was 'De Komst van Joachim Stiller' van Hubert Lampo. Mijn
fascinatie betrof meer het concept. Het was een ware
ontdekkingstocht om de parallellen te zoeken tussen het Nieuwe
Testament en Lampo's hedendaagse variant. Sinds die tijd is de
literatuur mijn passie en lezen mijn dagelijks brood. Ik heb alles
verzwolgen. Eerst de literatuur, later de filosofen. Want ik was er
van overtuigd: Een regisseur die geen Kantcrisis heeft gehad,
Nietzsche niet huilend heeft omarmd, niet wekenlang heeft gezwegen
na het lezen van Wittgenstein, zich niet orgiastisch heeft
gewenteld in Bataille, blijft eeuwig een dilettant.
Voor zover de vele kleine riviertjes van inspiratie die zijn
ontsproten in mijn jeugd. Ik roei nu de brede rivier op. En op de
oever staan tal van mensen:
Eerste klas toneelschool. Oudere docenten. Antoinette de Visser,
Willem Tollenaar, Herr Otthein Haas, Jonge docenten ; Anne Wil
Blankers, Kees Coolen, Jan van Kasteren, Herman Lutgerink, Jules
Croiset.
Tweede klas toneelschool: Willy van Heesvelde, Zdenek Kraus,
Elise Hooymans, Minas Christides, de gevluchte Griekse acteur.
Allemaal mensen waarvan ik de kunst heb afgekeken, de noodzaak, de
liefde. En toen plotseling die sleutelervaring, de bom die insloeg.
De schouwburg van Maastricht. De Haagsche Comedie. Twee mannen op
een bankje. Paul Steenbergen en Ko van Dijk. 'Mooi Weer Vandaag'.
Waren ze normaal of waren ze gek? Zaten ze nou echt in de tuin van
een psychiatrische inrichting of verbeeldde ik me dat? Wisten ze
het zelf of ontkenden ze het? De rillingen liepen me over de rug,
de tranen rolden over mijn wangen, van het lachen? Het huilen? Het
was hetzelfde.
Mijn eerste beroepsmatige schreden op het toneel heb ik gezet
onder de hoede van Hans Croiset. Ik had mij geen betere mentor
kunnen wensen. Ik heb gezwegen, gekeken, geleerd, gevraagd en
altijd antwoord gekregen. De passie en de bevlogenheid, de
intellectuele scherpte, maar ook de drammerigheid, de wanhoop en
het lijden, kortom de niet aflatende energie en de noodzaak. Een
gezelschap inspireren en leiden op basis van respect voor talent,
heb ik geleerd van Hans Croiset.
Van Ulrich Greiff, een Duitse regisseur, leerde ik het belang
van tekstanalyse, tekstbewustzijn, tekstbehandeling en tekstregie.
Dat toneelspelen denken is. Die ontdekking gaf me het gereedschap
om later de moeilijkste, meest hermetische, poëtische toneelteksten
van Rainald Goetz, Heiner Muller, Werner Schwab, Thomas Bernhard en
Elfriede Jelinek te ontsluiten en acteurs bewust te maken van wat
ze zeiden.
En toen volgden twaalf jaar Zuidelijk toneel Globe onder leiding
van Gerard-Jan Rijnders en Paul Vermeulen Windsant. Waren de
voorgaande jaren leerjaren geweest, nu volgde de toepassing. Het
was een periode van deconstructie, afbraak en het zoeken naar een
nieuwe betekenis en inhouden van het theater. We sprongen daarbij
op de bagagedrager van de conceptuele ontwikkelingen die zich in de
Duitse 'Stadttheaters' voltrokken. In Duitsland moest een jonge
generatie theatermakers in hun klassieke toneelbibliotheek nieuwe
ethische en morele coördinaten zien te ontdekken aan de hand
waarvan het leven na de gruwel van de Holocaust voorstelbaar was.
De voorstellingen van Claus Peymann, Peter Stein, Peter Zadek,
Georg Tabori braken het repertoire open en wij in Nederland lieten
ons daar maar al te graag door beïnvloeden. Vooral de
voorstellingen van Klaus-Michael Gruber en Andrea Breth die
eyeopeners waren. Bij hen was de emotionele, visuele en vooral
intellectuele sensatie die een voorstelling kan zijn, in perfecte
balans. Wat deze voorstellingen gemeen hadden, was de zorgvuldige
omgang met taal. Daarnaast en daartegen waren er de internationale
voorstellingen die Ritsaert ten Cate naar het Mickerytheater in
Amsterdam haalde. Ik heb ze allemaal gezien, bewonderd en alles
opgezogen.
Tegelijkertijd deed zich echter een merkwaardige ontwikkeling in
mij voor. Ik vond het steeds interessanter om over voorstellingen
na te denken dan om er in te spelen. Ik was me zeer bewust van het
belang en de noodzaak van conceptuele vernieuwing van het toneel,
maar ik kwam in een loyaliteitsconflict terecht tussen mijn
autonoom kunstenaarschap als acteur en mijn dienstbaarheid aan de
visie van de regisseur die ik hogelijk respecteerde. Enerzijds
wilde je die visie recht doen, anderzijds vermoedde je inhoudelijke
diepten en lagen die de schrijvers in de rollen hadden gelegd, maar
die door de regisseur niet werden herkend of werden gewenst.
Elke acteur kan u vertellen wat voor een marteling het kan zijn
wanneer je de kern van een rol ziet schitteren, maar die niet mag
of kan pakken. Ik miste in vele regies de uitgebalanceerde
combinatie van vorm en inhoud. Ik begon me te storen aan concepten,
die mijns inziens in de meeste gevallen altijd slechter waren dan
het stuk dat je voor je had. In de behoefte die discrepantie te
overbruggen vermoed ik de oorsprong van mijn
regisseurschap.
Op dat moment gaf ik les aan een klas getalenteerde
toneelschoolleerlingen. Ik weet niet wat er in mij is gevaren, maar
de sensatie van het ontdekken en wegwijs maken van talent in
combinatie met het ontdekken en wegwijs maken van mezelf in het
tekstmateriaal, bleek zo'n enerverende sensatie dat die het tot nu
toe nog steeds gewonnen heeft van het louter acteren.
Ik heb de Trust opgericht, een eigen theater verworven en me
naar de zijlijn van het toneelbestel gemanoeuvreerd om vanuit die
positie te werken aan een alternatief voor het bestaande
theaterbestel: Een organisatie waarin gezelschap en theater in een
hand zijn, waar voorstellingen meerder seizoenen op het repertoire
blijven om er in artistiek en financieel opzicht een zo hoog
mogelijk rendement uit te halen.
Ik houd de periode Trust en Theatercompagnie kort, omdat de
vruchtbaarste periode van je leven meestal ook de saaiste is om te
vertellen. In dit kader is alleen vermeldenswaard dat de mensen
waarmee ik in die tijd heb mogen werken mijn grootste bron van
inspiratie zijn geweest.
Maar het meest bewonderenswaardige vind ik nog steeds dat we er
in die tijd als cultureel ondernemers avant la lettre in zijn
geslaagd een eigen theater te verwerven, te verbouwen en het een
kleine twintig jaar succesvol hebben weten te exploiteren zonder
een cent subsidie van de gemeente Amsterdam. De tegenwerking die de
Trust, en later de Theatercompagnie, heeft ondervonden, is in die
periode mijn belangrijkste bron van inspiratie geweest. Het heeft
me niet enkel strijdbaar en vasthoudend gemaakt, het scherpte de
geest aan. En ik verkeerde in de gelukkige omstandigheid dat ik
alles wat mij en de mijnen overkwam, onmiddellijk kon thematiseren
in de voorstellingen die ik maakte. Alles is tenslotte materiaal.
In die zin beschouw ik dan ook niet de Trust, maar de tijd van de
Theatercompagnie als mijn meest essentiële, vruchtbaarste en
dierbaarste periode tot nog toe. In die zin ben ik mijn
tegenstanders dan ook buitengewoon erkentelijk.
En nu ben ik hier in Den Haag. Een nieuwe bocht in de rivier.
Het was een slechte zomer met veel regen en bitter weinig zon.
Volgens de kranten de slechtste zomer sinds de Tweede Wereldoorlog.
Voor de milieubewusten onder ons zitten we dan ook midden een
catastrofale en blijvende klimaatverandering. Voor de
onverschilligen en bewustelozen onder ons is het slechte weer niet
meer dan een toevallige samenloop van klimatologische
omstandigheden buiten onze macht en invloed en ze hebben zich nu al
voorgenomen volgend jaar wat dieper naar het zuiden af te
zakken.
Wat beide partijen bindt, is dat ze worden gedreven door angst.
Het is niet meer maar ook niet minder dan de projectie van de angst
voor de chaos, die in het diepst van ons allen schuilt. En het is
de strijd tegen en de beheersing van deze angst die bepalend is hoe
wij met de externe bedreigingen in het leven omgaan en in welke
mate we ontvankelijk zijn voor irrationele oplossingen. Oplossingen
die ons tegenover elkaar plaatsen en verleiden tot het inzetten van
geweld. Op dit moment is het niet alleen het slechte weer dat ons
verdeelt in gelovigen en niet-gelovigen. Neem de financiële crisis
waar de wereld in verkeert. De opstand in de Arabische wereld en in
Israel. De sociale ontrust in de voorsteden van Europa. Of de
bezuinigingen in het Nederlands theater. Geloof je dat de
bezuinigingen in de kunst de wraak is van rechts op dertig jaar
links georiënteerde cultuurpolitiek dan zul je ervan
overtuigd zijn dat de bezuinigingen de doodklap zullen blijken voor
ons rijke, veelzijdige, unieke toneelbestel. Geloof je anderzijds
dat het kunstenveld zich de laatste dertig jaar in
zelfgenoegzaamheid en overgewicht heeft vervreemd van de
maatschappelijke werkelijkheid, dan zul je ervan overtuigd zijn dat
de bezuinigingen de juiste remedie zullen blijken tegen overaanbod
en middelmaat. Beide posities zijn gebaseerd op angst voor wat nog
niet is.
Dat geldt ook voor mijzelf. In het volle besef dat het leven
zinloos is, de mens zichzelf een wolf en chaos en geweld ons wacht,
klamp ik mij vast aan mijn geloof in democratie, vrijheid van
godsdienst en individu, gelijkheid tussen man en vrouw en meer van
die voor mij vanzelfsprekende strategieën, die voortkomen uit een
onwrikbaar geloof in de verlichte Westerse waarden zoals
mensenrechten. Dit geloof is voor mij een psychologische noodzaak
en de basis voor een gemeenschappelijke cultuur. Vanuit dit geloof
en in die cultuur regisseer ik toneelstukken. Toch is mijn geloof
voor anderen helemaal niet vanzelfsprekend. Er zijn vele religies,
filosofieën en overtuigingen waar het belang van het individu
ondergeschikt is aan het belang van de gemeenschap, waar het in
stand houden van patriarchale familieverbanden en religie de
hoogste prioriteit heeft en grote persoonlijke offers eist van het
individu.
Gevoed door de angst voor chaos en verlies kunnen beide
geloofsovertuigingen hun fundamentele intuïtie tot het axioma maken
van al hun gedachten en handelen. Alles moet ondergeschikt worden
gemaakt aan die ene eigen waarheid, de wereld wordt in goed en
kwaad verdeeld en in de naam van het eigen geloof worden politieke
programma's ontwikkeld die niet op basis van rationele argumenten,
maar op emotionele gronden worden omgezet in gewelddadig handelen
ten einde de andere overtuiging te vernietigen. We zitten er
momenteel midden in. Dit politieke en maatschappelijke geweld neemt
voor de doorsnee burger inmiddels surreële dimensies aan.
Dimensies, die worden versterkt door het feit dat de media zich
door de kijkcijfermarkt gedwongen zien deze geweldsuitbarstingen
steeds meer als sensatie, als amusement te verkopen. Hierdoor
ondergaat de doorsnee krantenlezer en televisiekijker deze
werkelijkheid steeds meer voor als 'factionele fictie'. De wereld
komt hem voor als een rampenfilm, een verhaal waarin hij meespeelt,
maar waarvan het scenario voortdurend door onbekenden wordt
omgeschreven. De uitkomst van deze rollercoaster kent hij niet,
maar hij voelt instinctief dat hij zeker niet tot de
hoofdrolspelers behoort die het wellicht zullen overleven. Angst
regeert hier en laat hem geen ruimte voor andere emoties, laat
staan voor empathie met de andere personages, de slachtoffers van
het geweld. Verstard door eigen angst laten ze hem wezenloos
koud.
En nu de werkelijkheid hem als angstaanjagende fictie voorkomt
is het vanzelfsprekend dat hij voor zijn emotionele werkelijkheid
zijn toevlucht zoekt in de 'factionele fictie'. En ook daar speelt
de mediamarkt op in. Televisieprogramma's als Big Brother,
Temptation Island, Boer zoekt vrouw en Spoorloos doen een appel op
emoties en empathie die in de werkelijkheid niet meer als zodanig
worden gevoeld. Emotietelevisie heet het dan ook. En ook de kunst
ontkomt er niet aan.
In de kunstdisciplines is de vervagende grens tussen fictie en
werkelijkheid al enkele decennia het centrale thema. In de
podiumkunsten is de vierde wand, de imaginaire scheiding tussen
podium en zaal, tussen acteurs en publiek al geruime tijd geleden
gesloopt. Het postdramatische theater, waarin verhalen en
personages zijn ingeruild voor gebeurtenis en individuele
expressie, werd geboren. We hebben niet langer een gezamenlijk
verhaal omdat de religieuze levensinterpretaties en alle
ideologieën hebben gefaald. We zijn afkerig geworden van idealen en
utopieën. Ironie en sepsis is de onze enig denkbare levenshouding.
Ironie is dan ook de basisattitude van het postmodernisme, het
antwoord op de onmacht tegenover een constant veranderende
werkelijkheid en de onmogelijkheid om daar morele coördinaten aan
te ontlenen.
En dat zit niet lekker. Immers, ironie maakt draaglijk wat in
wezen onverdraaglijk moet blijven en scepsis weerhoudt ons van
handelen. Wanneer niets er meer toe doet, maakt het ook niet meer
uit hoe we ons gedragen. Hoe we ons verhouden tot de werkelijkheid.
Of we ons überhaupt nog verhouden tot de werkelijkheid. En ook dat
is angst. Angst om positie te kiezen tegenover de angst voor de
chaos, tegenover de verdeling in goed en kwaad en het geweld dat
daaruit voortvloeit. Het is veiliger jezelf te verschansen in
ironie en scepsis en ad libitum te pendelen tussen werkelijkheid en
fictie, in een wanhopige poging in de fictie te ervaren wat in de
werkelijkheid wordt verdrongen omdat het te onaangenaam is. In de
psychiatrie spreek men in zo'n geval van een borderliner.
Maar deze vrij zwevende ironie en scepsis als levensinstelling
is een illusie en kan gevaarlijk zijn. Want de schokkend
gemakkelijke manier waarop onlangs bezuinigingen in de kunstsector
werden doorgevoerd, geven aan hoe irrelevant kunst blijkbaar is
geworden en is illustratief voor ons gebrek aan weerbaarheid. En
dat is beangstigend ironisch.
Wat dan? Hoe zorg ik ervoor dat de ironie en de scepsis niet
verlammend werken maar functioneel worden. Doordenken. En daar
schiet de historicus Philipp Blom ons te hulp. Hij herinnert ons er
aan in zijn artikel 'We Need a new Story': "Onze identiteit, onze
referentiepunten, komen tot ons door het verhaal van onze
beschaving, door de verhalen uit onze kindertijd, van onze familie.
Onze herinnering bestaat uit verhalen, de grote verhalen uit
bijbel, Griekse en Romeinse mythes etc., en de kleine persoonlijke
familiegeschiedenissen. We leren ons te bewegen in de wereld van
onze eigen geest door verhalen, die telkens opnieuw worden verteld
en zodoende paden vormen door de chaos. Tot grote hoogte zijn we
het product van de verhalen die we onszelf vertellen. Daarom hebben
we fictie, verhalen, nodig. We vertellen elkaar verhalen om de
kloof te overbruggen tussen onze fundamentele intuïtie en de
schijnbare toevalligheid van onze ervaringen. We dramatiseren onze
morele instincten in vertellingen die handleidingen worden voor ons
omgaan met de wereld. Ze voorzien ons van een lijn die ons gidst
naar een atmosfeer waarin toevallige feiten een dramatische
structuur aannemen, met een begin, een midden en een eind. Wanneer
deze structuren worden vertaald in esthetische vormen noemen we het
kunst. Wanneer ze inspireren tot handelen noemen we het
politiek.
Wanneer we zelf geen fanatici willen worden, is het de uitdaging
om de plot en de structuur, die we door ons verbeeldingsvermogen
winnen, in balans te brengen met een luciditeit van denken. Zonder
verhalen zouden we geen voetpaden door het leven hebben. We halen
psychologisch voordeel uit verhalen door sociale lessen te leren:
zoals het idee dat morele handelingen het gewenste resultaat
opleveren; dat streven beloning kan opleveren; dat rechtvaardigheid
wordt beloond en onrechtvaardigheid wordt bestraft. En we leren
persoonlijke lessen: zoals de blijvende en transformatieve kracht
van de liefde en de verwerking van diepe trauma's. Van wezenlijk
belang is echter dat we deze fantastische verhalen niet voor
werkelijk aannemen. Doen we dat wel, vervallen we in
fanatisme."
En hier komen ironie en scepsis in hun juiste functie weer van
pas. Ironie doet als zelfbeschermend mechanisme namelijk precies op
dat moment zijn intrede, wanneer we extatisch door het verhaal
dreigen te worden meegesleurd, het voor werkelijkheid dreigen aan
te nemen. Ironie neemt ongerijmdheden en dissonanten in het
vertelde waar en stelt onszelf in perspectief. We zien plotseling
onze menselijke natuur, onze menselijke dwaasheid. Ironie geeft ons
hoop tegen beter weten in. Ironie lucht ons op, maakt ons van
onszelf bewust, bevrijdt ons van de meeslepende kracht van de
tragedie en van de teleurstelling niet langer in het verhaal voor
te komen.
We moeten elkaar verhalen vertellen en erin geloven. Niet als
een kind dat in een sprookje gelooft, maar als een volwassene die
een roman leest. We moeten onze behoefte aan zin en betekenis niet
opgeven. We moeten een verhaal vertellen en het onderzoeken en
tegelijkertijd blijven beseffen dat het slechts een verhaal is. Het
is onze enige bescherming tegen een fanatisme, dat overal loert,
vooral in onszelf. Afhankelijk van de mate waarin we er in
zullen slagen de donkere hoeken van onze instinctieve attitudes te
verlichten en onze persoonlijke en collectieve verhalen te vinden,
zullen we in staat zijn om een samenleving op te bouwen, waarin we
ons kunnen identificeren met een gemeenschappelijk verhaal.
Met deze gedachte, die ik maar meteen beschouw als een opdracht,
ben ik nu aangespoeld in Den Haag, de stad waar de Haagse Comedie
jaren geleden 'Mooi Weer Vandaag' op het repertoire nam. Het is mij
vergund om de opvolger van dat legendarische gezelschap, Het
Nationale Toneel, artistiek te gaan leiden. Het Nationale Toneel,
opgericht door mijn vroegere mentor Hans Croiset en door wijlen
Evert de Jager en collega Johan Doesburg, heeft zich ontwikkeld tot
het best bezochte gezelschap van Nederland. Een gezelschap met
fantastische acteurs en uiterst professionele medewerkers. Het
heeft zijn thuisbasis in een stad waarin de Nederlandse regering
resideert, waar het Internationaal Gerechtshof en het Vredespaleis
zijn gevestigd. Bovendien is het de hofstad. Een nieuwe bron van
inspiratie. Want zo'n stad heeft niet alleen recht op een hofnar,
ze heeft hem ook nodig. Een hofnar die de machthebbers en
uitvoerders de eeuwenoude verhalen vertelt over het slagen en falen
van hun voorgangers. Hen middels de grote werken uit de
toneelliteratuur confronteert met de mogelijke gevolgen van hun
denken en handelen voor de mensen die hen hebben gekozen. En die de
mensen in het land die hen hebben gekozen, de verhalen vertelt over
al die machthebbers en uitvoerders, over hun overwinningen en
nederlagen, hun drama's en komedies. Want zij zijn uiteindelijk
mijn enige en echte bron van inspiratie, een bron die nooit zal
opdrogen: De mensen en hun niet aflatende strijd voor vrijheid,
geluk en liefde. Ik dank u.
Theu Boermans