Ida Wassermanlezing door Theu Boermans

dinsdag 20 september 2011

Afgelopen zondag verzorgde Theu Boermans de Ida Wassermanlezing. Zijn verhaal is nu online terug te lezen.

Goedenavond Dames en Heren,

De Wassermanlezing: Een regisseur of acteur wordt gevraagd een persoonlijk portret te schetsen van zijn inspiratiebron. Denken over deze opdracht is stroomopwaarts roeien op de rivier der herinnering, voortdurend turend naar beide oevers in de hoop daar mensen te ontwaren, de cruciale gebeurtenissen uit je verleden weer in het centrum van je bewustzijn rukken. Maar wie of wat zoek je wanneer je beroepsmatig leven je tot nu toe voorkomt als een stuk drijfhout dat stroomafwaarts wordt meegevoerd op een rivier van toevalligheden?

Drijfhout, dat in elke kromming in de rivier op eerder gestrand drijfhout stoot om vervolgens verder te drijven tot de volgende bocht. Er zijn bij mijn weten veel mensen en vele gebeurtenissen van invloed geweest op mijn denken en werk en waarschijnlijk meer mensen van grotere invloed geweest dan ik weet. Het zijn per slot van rekening je tegenpolen tegenover wie je je het sterkst profileert, het zijn de tegenslagen die je vormen. Wanneer ik dus iemand of iets favoriseer doe ik mijn artistieke tegenstanders en mijn favoriete tegenslagen tekort. Is er wel een enkele bron? En is dat een mens, een object of een voorval? Ontspringt die bron wel binnen mijn beroepsmatig leven? Is hij niet veeleer gevormd door diverse stromen en stroompjes die op hun beurt hun oorsprong vinden in de tijd lang daarvoor?

Ik ben vanzelfsprekend katholiek opgevoed en ben dan ook, tot ik de jaren des verstands bereikte - dat moet zo rond mijn veertiende zijn geweest - vol verwachting naar de kerk gegaan. Dat God bestond leed voor mij geen twijfel. Tot het historische moment, waarop ik bij het nauwkeurig bestuderen van de lingerieaanbiedingen in de Wehkampcatalogus naast het schaars geklede model dat haar zondige pikanterieën poserend op een bed aanbood, een boek op het nachtkastje zag liggen. En nieuwsgierig naar wat zo'n vrijpostig meisje zoal las, kon ik met de loep van mijn postzegelverzameling een zin ontcijferen, die mijn metafysische zekerheid in een klap aan gruzelementen sloeg. 'God is dood', stond op de flap. Ik heb maanden met die zin in mijn hoofd gelopen, vervolgens uitgeprobeerd op mijn vriendjes en uiteindelijk met krijt op de plavuizen van het kerkplein geschreven. Ik ben naar huis gerend, onder mijn bed gekropen, in angstige afwachting van de bliksem die me ongetwijfeld zou treffen. Die bleef uit en zo verloor ik mijn onschuld.

En niet alleen dat. Ik was meer kwijt dan ik mij op dat moment realiseerde. Het ritueel van de Heilige Mis had ik tot die tijd altijd als iets magnifieks, iets magisch, ondergaan. Een gemeenschap van mensen van alle leeftijden, rangen en standen herinneren zich eensgezind dat een man zich meer dan duizend jaar geleden voor ons heeft geofferd. Enkel en alleen om ons te redden. En dat niet alleen. Onder meerstemmige samenzang en voorgegaan door een meneer in een prachtig goudbestikt gewaad daalde deze held weer in levende lijve in onze kerk naar beneden. Prachtig uitgelicht in een wolk van wierook. Niemand zag hem, want het was tenslotte verbeelding. Maar niet voor mij. Ik had hem gezien! Absoluut. Want ik had een sterk geloof. De figuur Jezus Christus fascineerde mij mateloos. Stel je voor, je hebt een hele zooi volgelingen, je kunt zo de politieke macht grijpen als je dat wilt. Maar je doet dat niet, je legt dat je volgelingen niet uit, maar mompelt iets over 'mijn  rijk is niet van deze wereld' om je vervolgens willens en wetens te laten geselen en aan een kruis te laten spijkeren. Dan moet je toch wel erg in dat rijk, in die andere wereld geloven. Maar waar ligt die dan en hoe ziet dat rijk er dan uit en hoe kom je daar? Grote vragen die mij als puber bezighielden. Maar toen God stierf, stierf ook de behoefte aan een antwoord en werd Jezus bijgezet bij die andere masochistische idioten van de geschiedenis.

In de streek waar ik vandaan kom, Midden-Limburg, wordt in het algemeen veel toneel gespeeld en er komen dan ook opvallend veel beroepstoneelspelers vandaan. De provincie Limburg grenst aan Duitsland, maar de streek strekt zich uit tot in het Rijnland, waar elk dorp zijn toneelvereniging of passiespel heeft. Ook daar komen veel Duitse toneelspelers vandaan. Uiteraard vindt dat fenomeen zijn oorsprong in de katholieke volkscultuur, de rederijkerij, het patronaatstoneel, het carnaval. Daarin is Midden-Limburg niet uniek. Waar het wel in verschilt van andere streken is de taalgevoeligheid. Het dialect in het land tussen Maas en Rijn vindt zijn oorsprong in het Rijnlands en het Nederduits en kent dezelfde rijkdom en poëzie. Woorden met meerdere betekenissen, zinnen met dubbele lagen, hyperbolen, metaforen en symbolen. De overdrijving als stijlfiguur. Als kind hield je je tegenover leeftijdsgenoten staande met het verhaal dat je vertelde en de manier waarop je het vertelde. Je hoorde de volwassenen elkaar aftroeven met uitdrukkingen, wisecracks en pointes. Ook het zwijgen speelde daarin een grote rol. Ook het zwijgen is hoorbaar en zwanger van betekenis. Het is de stilte voor de storm, voor de klap van de volgende briljante formulering, de fantastische pointe. Daar ergens moet de oorsprong van mijn fascinatie voor de taalmuziek liggen.

Merkwaardig genoeg ben ik als kind nooit een groot carnavalsvierder geweest. Terwijl het toch volksfeest nummer een was en alle andere kinderen zich in vermomming te buiten gingen aan wat door het jaar heen niet was toegestaan. Ik daarentegen trok ik mij in mijzelf terug en werd toeschouwer. Het fascineerde me buitengemeen om tijdens het carnaval naar mensen te kijken, naar de verandering die zich in hen voltrok. Onder invloed van alcohol uiteraard, maar ook bij diegene die geen alcohol dronken, kwam iets los dat ze gewoonlijk verborgen hielden. En in tegenstelling tot velen die deze transformatie kleinburgerlijk vonden en verachtten, begreep ik intuïtief al vroeg wat er met hen gebeurde. De laatste drie dagen voor de Vastentijd, waarin de opgelegde rol die men moet vervullen binnen de strenge gegeven kaders, even kan worden losgelaten en de onzin, het zinloze, dat wil zeggen het absurde en relatieve van dit ondermaanse, mag worden toegelaten. Tot Aswoensdag wanneer men afscheid neemt van het vlees, carne vale, en zich in de kerk het Assekruisje op het voorhoofd laat zetten ter herinnering aan onze sterfelijkheid. Omdat het bij mij echter altijd carnaval was, stierf ik die drie dagen en met het Assekruisje op mijn voorhoofd kwam ik weer tot leven.

Mijn vader. Ik had deze hele lezing ook aan hem kunnen wijden. We leken op elkaar en dat kon behoorlijk botsen. Hij was in de wieg gelegd om dat te doen wat ik nu doe, maar helaas nooit heeft kunnen doen. Toen ik na mijn middelbare school geen idee had wat ik aan moest met mijn leven, heeft hij me tegen mijn zin opgegeven voor de Toneelacademie in Maastricht. Later, veel later toen hij mijn eerste voorstellingen zag en vond dat je met die modernistische flauwekul geen publiek bereikte, is hij zelf weer toneelstukken gaan schrijven. Ik kon hem niet beter danken dan ze voor hem te regisseren. Een merkwaardige sensatie. Ik heb mijn vader pas leren kennen door zijn stukken. Wat in de werkelijkheid werd verzwegen, werd in de verbeelding uitgesproken.

Uit mijn adolescentie herinner ik mij twee boeken. 'Onder het Melkwoud' van Dylan Thomas in de vertaling van Hugo Claus. Ik heb het wel honderd maal gelezen, uitgevlooid en doorgespit en ontdekte telkens nieuwe vergezichten in dit bacchanaal van taalmuziek. Het andere was 'De Komst van Joachim Stiller' van Hubert Lampo. Mijn fascinatie betrof meer het concept. Het was een ware ontdekkingstocht om de parallellen te zoeken tussen het Nieuwe Testament en Lampo's hedendaagse variant. Sinds die tijd is de literatuur mijn passie en lezen mijn dagelijks brood. Ik heb alles verzwolgen. Eerst de literatuur, later de filosofen. Want ik was er van overtuigd: Een regisseur die geen Kantcrisis heeft gehad, Nietzsche niet huilend heeft omarmd, niet wekenlang heeft gezwegen na het lezen van Wittgenstein, zich niet orgiastisch heeft gewenteld in Bataille, blijft eeuwig een dilettant.

Voor zover de vele kleine riviertjes van inspiratie die zijn ontsproten in mijn jeugd. Ik roei nu de brede rivier op. En op de oever staan tal van mensen:

Eerste klas toneelschool. Oudere docenten. Antoinette de Visser, Willem Tollenaar, Herr Otthein Haas, Jonge docenten ; Anne Wil Blankers, Kees Coolen, Jan van Kasteren, Herman Lutgerink, Jules Croiset.

Tweede klas toneelschool: Willy van Heesvelde, Zdenek Kraus, Elise Hooymans, Minas Christides, de gevluchte Griekse acteur. Allemaal mensen waarvan ik de kunst heb afgekeken, de noodzaak, de liefde. En toen plotseling die sleutelervaring, de bom die insloeg. De schouwburg van Maastricht. De Haagsche Comedie. Twee mannen op een bankje. Paul Steenbergen en Ko van Dijk. 'Mooi Weer Vandaag'. Waren ze normaal of waren ze gek? Zaten ze nou echt in de tuin van een psychiatrische inrichting of verbeeldde ik me dat? Wisten ze het zelf of ontkenden ze het? De rillingen liepen me over de rug, de tranen rolden over mijn wangen, van het lachen? Het huilen? Het was hetzelfde.

Mijn eerste beroepsmatige schreden op het toneel heb ik gezet onder de hoede van Hans Croiset. Ik had mij geen betere mentor kunnen wensen. Ik heb gezwegen, gekeken, geleerd, gevraagd en altijd antwoord gekregen. De passie en de bevlogenheid, de intellectuele scherpte, maar ook de drammerigheid, de wanhoop en het lijden, kortom de niet aflatende energie en de noodzaak. Een gezelschap inspireren en leiden op basis van respect voor talent, heb ik geleerd van Hans Croiset.

Van Ulrich Greiff, een Duitse regisseur, leerde ik het belang van tekstanalyse, tekstbewustzijn, tekstbehandeling en tekstregie. Dat toneelspelen denken is. Die ontdekking gaf me het gereedschap om later de moeilijkste, meest hermetische, poëtische toneelteksten van Rainald Goetz, Heiner Muller, Werner Schwab, Thomas Bernhard en Elfriede Jelinek te ontsluiten en acteurs bewust te maken van wat ze zeiden.

En toen volgden twaalf jaar Zuidelijk toneel Globe onder leiding van Gerard-Jan Rijnders en Paul Vermeulen Windsant. Waren de voorgaande jaren leerjaren geweest, nu volgde de toepassing. Het was een periode van deconstructie, afbraak en het zoeken naar een nieuwe betekenis en inhouden van het theater. We sprongen daarbij op de bagagedrager van de conceptuele ontwikkelingen die zich in de Duitse 'Stadttheaters' voltrokken. In Duitsland moest een jonge generatie theatermakers in hun klassieke toneelbibliotheek nieuwe ethische en morele coördinaten zien te ontdekken aan de hand waarvan het leven na de gruwel van de Holocaust voorstelbaar was. De voorstellingen van Claus Peymann, Peter Stein, Peter Zadek, Georg Tabori braken het repertoire open en wij in Nederland lieten ons daar maar al te graag door beïnvloeden. Vooral de voorstellingen van Klaus-Michael Gruber en Andrea Breth die eyeopeners waren. Bij hen was de emotionele, visuele en vooral intellectuele sensatie die een voorstelling kan zijn, in perfecte balans. Wat deze voorstellingen gemeen hadden, was de zorgvuldige omgang met taal. Daarnaast en daartegen waren er de internationale voorstellingen die Ritsaert ten Cate naar het Mickerytheater in Amsterdam haalde. Ik heb ze allemaal gezien, bewonderd en alles opgezogen.

Tegelijkertijd deed zich echter een merkwaardige ontwikkeling in mij voor. Ik vond het steeds interessanter om over voorstellingen na te denken dan om er in te spelen. Ik was me zeer bewust van het belang en de noodzaak van conceptuele vernieuwing van het toneel, maar ik kwam in een loyaliteitsconflict terecht tussen mijn autonoom kunstenaarschap als acteur en mijn dienstbaarheid aan de visie van de regisseur die ik hogelijk respecteerde. Enerzijds wilde je die visie recht doen, anderzijds vermoedde je inhoudelijke diepten en lagen die de schrijvers in de rollen hadden gelegd, maar die door de regisseur niet werden herkend of werden gewenst.

Elke acteur kan u vertellen wat voor een marteling het kan zijn wanneer je de kern van een rol ziet schitteren, maar die niet mag of kan pakken. Ik miste in vele regies de uitgebalanceerde combinatie van vorm en inhoud. Ik begon me te storen aan concepten, die mijns inziens in de meeste gevallen altijd slechter waren dan het stuk dat je voor je had. In de behoefte die discrepantie te overbruggen vermoed ik de oorsprong van mijn regisseurschap. 

Op dat moment gaf ik les aan een klas getalenteerde toneelschoolleerlingen. Ik weet niet wat er in mij is gevaren, maar de sensatie van het ontdekken en wegwijs maken van talent in combinatie met het ontdekken en wegwijs maken van mezelf in het tekstmateriaal, bleek zo'n enerverende sensatie dat die het tot nu toe nog steeds gewonnen heeft van het louter acteren.

Ik heb de Trust opgericht, een eigen theater verworven en me naar de zijlijn van het toneelbestel gemanoeuvreerd om vanuit die positie te werken aan een alternatief voor het bestaande theaterbestel: Een organisatie waarin gezelschap en theater in een hand zijn, waar voorstellingen meerder seizoenen op het repertoire blijven om er in artistiek en financieel opzicht een zo hoog mogelijk rendement uit te halen.

Ik houd de periode Trust en Theatercompagnie kort, omdat de vruchtbaarste periode van je leven meestal ook de saaiste is om te vertellen. In dit kader is alleen vermeldenswaard dat de mensen waarmee ik in die tijd heb mogen werken mijn grootste bron van inspiratie zijn geweest.

Maar het meest bewonderenswaardige vind ik nog steeds dat we er in die tijd als cultureel ondernemers avant la lettre in zijn geslaagd een eigen theater te verwerven, te verbouwen en het een kleine twintig jaar succesvol hebben weten te exploiteren zonder een cent subsidie van de gemeente Amsterdam. De tegenwerking die de Trust, en later de Theatercompagnie, heeft ondervonden, is in die periode mijn belangrijkste bron van inspiratie geweest. Het heeft me niet enkel strijdbaar en vasthoudend gemaakt, het scherpte de geest aan. En ik verkeerde in de gelukkige omstandigheid dat ik alles wat mij en de mijnen overkwam, onmiddellijk kon thematiseren in de voorstellingen die ik maakte. Alles is tenslotte materiaal. In die zin beschouw ik dan ook niet de Trust, maar de tijd van de Theatercompagnie als mijn meest essentiële, vruchtbaarste en dierbaarste periode tot nog toe. In die zin ben ik mijn tegenstanders dan ook buitengewoon erkentelijk.

En nu ben ik hier in Den Haag. Een nieuwe bocht in de rivier. Het was een slechte zomer met veel regen en bitter weinig zon. Volgens de kranten de slechtste zomer sinds de Tweede Wereldoorlog. Voor de milieubewusten onder ons zitten we dan ook midden een catastrofale en blijvende klimaatverandering. Voor de onverschilligen en bewustelozen onder ons is het slechte weer niet meer dan een toevallige samenloop van klimatologische omstandigheden buiten onze macht en invloed en ze hebben zich nu al voorgenomen volgend jaar wat dieper naar het zuiden af te zakken.

Wat beide partijen bindt, is dat ze worden gedreven door angst. Het is niet meer maar ook niet minder dan de projectie van de angst voor de chaos, die in het diepst van ons allen schuilt. En het is de strijd tegen en de beheersing van deze angst die bepalend is hoe wij met de externe bedreigingen in het leven omgaan en in welke mate we ontvankelijk zijn voor irrationele oplossingen. Oplossingen die ons tegenover elkaar plaatsen en verleiden tot het inzetten van geweld. Op dit moment is het niet alleen het slechte weer dat ons verdeelt in gelovigen en niet-gelovigen. Neem de financiële crisis waar de wereld in verkeert. De opstand in de Arabische wereld en in Israel. De sociale ontrust in de voorsteden van Europa. Of de bezuinigingen in het Nederlands theater. Geloof je dat de bezuinigingen in de kunst de wraak is van rechts op dertig jaar links georiënteerde  cultuurpolitiek dan zul je ervan overtuigd zijn dat de bezuinigingen de doodklap zullen blijken voor ons rijke, veelzijdige, unieke toneelbestel. Geloof je anderzijds dat het kunstenveld zich de laatste dertig jaar in zelfgenoegzaamheid en overgewicht heeft vervreemd van de maatschappelijke werkelijkheid, dan zul je ervan overtuigd zijn dat de bezuinigingen de juiste remedie zullen blijken tegen overaanbod en middelmaat. Beide posities zijn gebaseerd op angst voor wat nog niet is.

Dat geldt ook voor mijzelf. In het volle besef dat het leven zinloos is, de mens zichzelf een wolf en chaos en geweld ons wacht, klamp ik mij vast aan mijn geloof in democratie, vrijheid van godsdienst en individu, gelijkheid tussen man en vrouw en meer van die voor mij vanzelfsprekende strategieën, die voortkomen uit een onwrikbaar geloof in de verlichte Westerse waarden zoals mensenrechten. Dit geloof is voor mij een psychologische noodzaak en de basis voor een gemeenschappelijke cultuur. Vanuit dit geloof en in die cultuur regisseer ik toneelstukken. Toch is mijn geloof voor anderen helemaal niet vanzelfsprekend. Er zijn vele religies, filosofieën en overtuigingen waar het belang van het individu ondergeschikt is aan het belang van de gemeenschap, waar het in stand houden van patriarchale familieverbanden en religie de hoogste prioriteit heeft en grote persoonlijke offers eist van het individu.

Gevoed door de angst voor chaos en verlies kunnen beide geloofsovertuigingen hun fundamentele intuïtie tot het axioma maken van al hun gedachten en handelen. Alles moet ondergeschikt worden gemaakt aan die ene eigen waarheid, de wereld wordt in goed en kwaad verdeeld en in de naam van het eigen geloof worden politieke programma's ontwikkeld die niet op basis van rationele argumenten, maar op emotionele gronden worden omgezet in gewelddadig handelen ten einde de andere overtuiging te vernietigen. We zitten er momenteel midden in. Dit politieke en maatschappelijke geweld neemt voor de doorsnee burger inmiddels surreële dimensies aan. Dimensies, die worden versterkt door het feit dat de media zich door de kijkcijfermarkt gedwongen zien deze geweldsuitbarstingen steeds meer als sensatie, als amusement te verkopen. Hierdoor ondergaat de doorsnee krantenlezer en televisiekijker deze werkelijkheid steeds meer voor als 'factionele fictie'. De wereld komt hem voor als een rampenfilm, een verhaal waarin hij meespeelt, maar waarvan het scenario voortdurend door onbekenden wordt omgeschreven. De uitkomst van deze rollercoaster kent hij niet, maar hij voelt instinctief dat hij zeker niet tot de hoofdrolspelers behoort die het wellicht zullen overleven. Angst regeert hier en laat hem geen ruimte voor andere emoties, laat staan voor empathie met de andere personages, de slachtoffers van het geweld. Verstard door eigen angst laten ze hem wezenloos koud.

En nu de werkelijkheid hem als angstaanjagende fictie voorkomt is het vanzelfsprekend dat hij voor zijn emotionele werkelijkheid zijn toevlucht zoekt in de 'factionele fictie'. En ook daar speelt de mediamarkt op in. Televisieprogramma's als Big Brother, Temptation Island, Boer zoekt vrouw en Spoorloos doen een appel op emoties en empathie die in de werkelijkheid niet meer als zodanig worden gevoeld. Emotietelevisie heet het dan ook. En ook de kunst ontkomt er niet aan.

In de kunstdisciplines is de vervagende grens tussen fictie en werkelijkheid al enkele decennia het centrale thema. In de podiumkunsten is de vierde wand, de imaginaire scheiding tussen podium en zaal, tussen acteurs en publiek al geruime tijd geleden gesloopt.  Het postdramatische theater, waarin verhalen en personages zijn ingeruild voor gebeurtenis en individuele expressie, werd geboren. We hebben niet langer een gezamenlijk verhaal omdat de religieuze levensinterpretaties en alle ideologieën hebben gefaald. We zijn afkerig geworden van idealen en utopieën. Ironie en sepsis is de onze enig denkbare levenshouding. Ironie is dan ook de basisattitude van het postmodernisme, het antwoord op de onmacht tegenover een constant veranderende werkelijkheid en de onmogelijkheid om daar morele coördinaten aan te ontlenen.

En dat zit niet lekker. Immers, ironie maakt draaglijk wat in wezen onverdraaglijk moet blijven en scepsis weerhoudt ons van handelen. Wanneer niets er meer toe doet, maakt het ook niet meer uit hoe we ons gedragen. Hoe we ons verhouden tot de werkelijkheid. Of we ons überhaupt nog verhouden tot de werkelijkheid. En ook dat is angst. Angst om positie te kiezen tegenover de angst voor de chaos, tegenover de verdeling in goed en kwaad en het geweld dat daaruit voortvloeit. Het is veiliger jezelf te verschansen in ironie en scepsis en ad libitum te pendelen tussen werkelijkheid en fictie, in een wanhopige poging in de fictie te ervaren wat in de werkelijkheid wordt verdrongen omdat het te onaangenaam is. In de psychiatrie spreek men in zo'n geval van een borderliner.

Maar deze vrij zwevende ironie en scepsis als levensinstelling is een illusie en kan gevaarlijk zijn. Want de schokkend gemakkelijke manier waarop onlangs bezuinigingen in de kunstsector werden doorgevoerd, geven aan hoe irrelevant kunst blijkbaar is geworden en is illustratief voor ons gebrek aan weerbaarheid. En dat is beangstigend ironisch.

Wat dan? Hoe zorg ik ervoor dat de ironie en de scepsis niet verlammend werken maar functioneel worden. Doordenken. En daar schiet de historicus Philipp Blom ons te hulp. Hij herinnert ons er aan in zijn artikel 'We Need a new Story': "Onze identiteit, onze referentiepunten, komen tot ons door het verhaal van onze beschaving, door de verhalen uit onze kindertijd, van onze familie. Onze herinnering bestaat uit verhalen, de grote verhalen uit bijbel, Griekse en Romeinse mythes etc., en de kleine persoonlijke familiegeschiedenissen. We leren ons te bewegen in de wereld van onze eigen geest door verhalen, die telkens opnieuw worden verteld en zodoende paden vormen door de chaos. Tot grote hoogte zijn we het product van de verhalen die we onszelf vertellen. Daarom hebben we fictie, verhalen, nodig. We vertellen elkaar verhalen om de kloof te overbruggen tussen onze fundamentele intuïtie en de schijnbare toevalligheid van onze ervaringen. We dramatiseren onze morele instincten in vertellingen die handleidingen worden voor ons omgaan met de wereld. Ze voorzien ons van een lijn die ons gidst naar een atmosfeer waarin toevallige feiten een dramatische  structuur aannemen, met een begin, een midden en een eind. Wanneer deze structuren worden vertaald in esthetische vormen noemen we het kunst. Wanneer ze inspireren tot handelen noemen we het politiek.

Wanneer we zelf geen fanatici willen worden, is het de uitdaging om de plot en de structuur, die we door ons verbeeldingsvermogen winnen, in balans te brengen met een luciditeit van denken. Zonder verhalen zouden we geen voetpaden door het leven hebben. We halen psychologisch voordeel uit verhalen door sociale lessen te leren: zoals het idee dat morele handelingen het gewenste resultaat opleveren; dat streven beloning kan opleveren; dat rechtvaardigheid wordt beloond en onrechtvaardigheid wordt bestraft. En we leren persoonlijke lessen: zoals de blijvende en transformatieve kracht van de liefde en de verwerking van diepe trauma's. Van wezenlijk belang is echter dat we deze fantastische verhalen niet voor werkelijk aannemen. Doen we dat wel, vervallen we in fanatisme."

En hier komen ironie en scepsis in hun juiste functie weer van pas. Ironie doet als zelfbeschermend mechanisme namelijk precies op dat moment zijn intrede, wanneer we extatisch door het verhaal dreigen te worden meegesleurd, het voor werkelijkheid dreigen aan te nemen. Ironie neemt ongerijmdheden en dissonanten in het vertelde waar en stelt onszelf in perspectief. We zien plotseling onze menselijke natuur, onze menselijke dwaasheid. Ironie geeft ons hoop tegen beter weten in. Ironie lucht ons op, maakt ons van onszelf bewust, bevrijdt ons van de meeslepende kracht van de tragedie en van de teleurstelling niet langer in het verhaal voor te komen.

We moeten elkaar verhalen vertellen en erin geloven. Niet als een kind dat in een sprookje gelooft, maar als een volwassene die een roman leest. We moeten onze behoefte aan zin en betekenis niet opgeven. We moeten een verhaal vertellen en het onderzoeken en tegelijkertijd blijven beseffen dat het slechts een verhaal is. Het is onze enige bescherming tegen een fanatisme, dat overal loert, vooral in onszelf. Afhankelijk van  de mate waarin we er in zullen slagen de donkere hoeken van onze instinctieve attitudes te verlichten en onze persoonlijke en collectieve verhalen te vinden, zullen we in staat zijn om een samenleving op te bouwen, waarin we ons kunnen identificeren met een gemeenschappelijk verhaal.

Met deze gedachte, die ik maar meteen beschouw als een opdracht, ben ik nu aangespoeld in Den Haag, de stad waar de Haagse Comedie jaren geleden 'Mooi Weer Vandaag' op het repertoire nam. Het is mij vergund om de opvolger van dat legendarische gezelschap, Het Nationale Toneel, artistiek te gaan leiden. Het Nationale Toneel, opgericht door mijn vroegere mentor Hans Croiset en door wijlen Evert de Jager en collega Johan Doesburg, heeft zich ontwikkeld tot het best bezochte gezelschap van Nederland. Een gezelschap met fantastische acteurs en uiterst professionele medewerkers. Het heeft zijn thuisbasis in een stad waarin de Nederlandse regering resideert, waar het Internationaal Gerechtshof en het Vredespaleis zijn gevestigd. Bovendien is het de hofstad. Een nieuwe bron van inspiratie. Want zo'n stad heeft niet alleen recht op een hofnar, ze heeft hem ook nodig. Een hofnar die de machthebbers en uitvoerders de eeuwenoude verhalen vertelt over het slagen en falen van hun voorgangers. Hen middels de grote werken uit de toneelliteratuur confronteert met de mogelijke gevolgen van hun denken en handelen voor de mensen die hen hebben gekozen. En die de mensen in het land die hen hebben gekozen, de verhalen vertelt over al die machthebbers en uitvoerders, over hun overwinningen en nederlagen, hun drama's en komedies. Want zij zijn uiteindelijk mijn enige en echte bron van inspiratie, een bron die nooit zal opdrogen: De mensen en hun niet aflatende strijd voor vrijheid, geluk en liefde. Ik dank u.

 

Theu Boermans